Oorlog...
Droeve Tijden
’t Zijn droeve tijden als de oorlog woedt,
Als mensen men slacht lijk dieren,
Als mensenbloed bij beken vloeit.
Als vrede en liefde liggen geboeid
Als haat
En kwaad,
Als nood
En dood
Grijnzen en vloeken en tieren.
'Waar is nu toch mijn arme man?
‘k Verga van angst! ik sterf ervan!
Ach! wat verschil bij ’t voor’ge jaar!
We zaten hier zo blij te gâar
Bij ’t wiegsken van ons jongste kind.
En nu zover door sneeuw en wind
En vorst…en dan!…Och God! och God!
Heb meelij met mijn bitter lot!'
'Ju!' roept het jongetje, 'paardeken ju!
he! moeder, waar is vader nu?
Als vader komt, dan krijg ik een paard,
Een levende paard en een blinkende zwaard,
Een helm met pluim en een grote banier;
Dan gaan we rijden verre van hier;
Dan maken wij oorlog en nog, en meer…;
Zeg, moeder, wanneer komt vader weer?'
'Hoor' zegt het dochterken, 'moederlief,
‘k Heb vader geschreven ene schone brief :
En dat wij bidden op beide kniên
Voor hem… en hem zo gaarne zien;
En dat gij toch zo droeve zijt;
En dat ik ook dan dikwijls krijt;
En dat ons broerken vlijtig leert;
En…of hij toch niet wederkeert!'
De moeder aanhoort ’t eenvoudige schrift,
En keert zich om met koortsige drift,
En grijpt uit de wieg ’t onnozele wicht,
En houdt het naar de hemel gericht;
En roept en snikt : o Heer! o Heer!
Geef ons de gade en de Vader weer!
Terwijl de moeder aan ’t bidden was,
Terwijl het meisje haar briefken las,
Terwijl het jongentje reed en liep,
Terwijl het wicht in zijn wiegsken sliep,
Daar verre, in ’t vreemde verwoeste land,
Verlaten, langs een eenzame kant,
Met doorboorde borst
En hijgend van dorst
En de nagels geprent in ’t bevrozene veld,
Daar lag de vader, de dappere held,
Te sterven.
uit 'Uit het Hart' van G.Th. Antheunis (1840-1907) naar aanleiding van de Frans - Duitse oorlog (1870-1871)
als ge van ze leven in de westhoek passeert
deur regen en noorderwinden
keert omme de tijd als g’alhier passeert
den oorlog ga je hier were vinden
ja, ’t is den oorlog da je hier were vindt
en ’t graf van duizend soldaten
altijd iemands vader altijd iemands kind
nu doodstil en godverlaten
laat de bomen nu maar zwijgen en dat ’t gras niets vertelt
en de wind moet ’t ook maar niet zingen
dat julder’n dood tot niets hè geteld
dat waren al te schrik’lijke dingen
Willem Vermandere
aan het eind van elke oorlog zijn er geen winnaars, alleen slachtoffers...
Droeve Tijden
’t Zijn droeve tijden als de oorlog woedt,
Als mensen men slacht lijk dieren,
Als mensenbloed bij beken vloeit.
Als vrede en liefde liggen geboeid
Als haat
En kwaad,
Als nood
En dood
Grijnzen en vloeken en tieren.
'Waar is nu toch mijn arme man?
‘k Verga van angst! ik sterf ervan!
Ach! wat verschil bij ’t voor’ge jaar!
We zaten hier zo blij te gâar
Bij ’t wiegsken van ons jongste kind.
En nu zover door sneeuw en wind
En vorst…en dan!…Och God! och God!
Heb meelij met mijn bitter lot!'
'Ju!' roept het jongetje, 'paardeken ju!
he! moeder, waar is vader nu?
Als vader komt, dan krijg ik een paard,
Een levende paard en een blinkende zwaard,
Een helm met pluim en een grote banier;
Dan gaan we rijden verre van hier;
Dan maken wij oorlog en nog, en meer…;
Zeg, moeder, wanneer komt vader weer?'
'Hoor' zegt het dochterken, 'moederlief,
‘k Heb vader geschreven ene schone brief :
En dat wij bidden op beide kniên
Voor hem… en hem zo gaarne zien;
En dat gij toch zo droeve zijt;
En dat ik ook dan dikwijls krijt;
En dat ons broerken vlijtig leert;
En…of hij toch niet wederkeert!'
De moeder aanhoort ’t eenvoudige schrift,
En keert zich om met koortsige drift,
En grijpt uit de wieg ’t onnozele wicht,
En houdt het naar de hemel gericht;
En roept en snikt : o Heer! o Heer!
Geef ons de gade en de Vader weer!
Terwijl de moeder aan ’t bidden was,
Terwijl het meisje haar briefken las,
Terwijl het jongentje reed en liep,
Terwijl het wicht in zijn wiegsken sliep,
Daar verre, in ’t vreemde verwoeste land,
Verlaten, langs een eenzame kant,
Met doorboorde borst
En hijgend van dorst
En de nagels geprent in ’t bevrozene veld,
Daar lag de vader, de dappere held,
Te sterven.
uit 'Uit het Hart' van G.Th. Antheunis (1840-1907) naar aanleiding van de Frans - Duitse oorlog (1870-1871)
als ge van ze leven in de westhoek passeert
deur regen en noorderwinden
keert omme de tijd als g’alhier passeert
den oorlog ga je hier were vinden
ja, ’t is den oorlog da je hier were vindt
en ’t graf van duizend soldaten
altijd iemands vader altijd iemands kind
nu doodstil en godverlaten
laat de bomen nu maar zwijgen en dat ’t gras niets vertelt
en de wind moet ’t ook maar niet zingen
dat julder’n dood tot niets hè geteld
dat waren al te schrik’lijke dingen
Willem Vermandere
aan het eind van elke oorlog zijn er geen winnaars, alleen slachtoffers...


0 Comments:
Een reactie posten
<< Home